Hoofdtekst
Hier weijer (verder) woor ene jong. Die gong zijne soldatendienst volbrengen in Doornik en er gong ene café in. En de vrouw vroeg van bo (waar) er woer. 'Ja, van Limburg', zei er. 'Van zo een klein dorpke?' vroeg ze. 'Ja', 'O, dat weet ich', zei ze. 'Ger woont do zo, ja ger (gij) loopt bij uch (u) de mistem (rechthoekige binnenkoer van de Haspengouwse hoeve) in, juist onder de noteboom door. Daar bin ich diks (dikwijls) geweest.' Dat woor een heks, zei de jong, want do kaomen de heksen altijd bijeen.
Beschrijving
Een jongen die in Doornik verbleef om er zijn legerdienst te doen, ging op een avond naar het café. Toen een vrouw hem vroeg vanwaar hij afkomstig was, reageerde ze onmiddellijk: "Ja, dat ken ik! Als je bij jullie voorbij de notelaar wandelt, dan kom je op de mistem (1)! Daar ben ik vroeger vaak geweest". Omdat de jongen wist dat de heksen daar vaak bijeenkwamen, besefte hij dat de vrouw een heks was.
Bron
W. Jackers, Leuven, 1958
Commentaar
2.1 Heksen
limburgs (bilzen)
fabulaat
(1) De 'mistem' was een rechthoekige binnenkoer van de Haspengouwse hoeve.
Naam Locatie in Tekst
Hoelbeek   
Plaats van Handelen
Doornik   
