Hoofdtekst
’t Stond daar ne meulen en ’t zat ne lucht up. De zeune kwam ’t aan zin vader zeggen en vader zei: "Ja, jongen, ‘k gaan derachter winken." En os ie gewonken hadde, die lucht kwam zere gevlogen en buuste up de deure. "Ga nu maar de meulen gaan ontzeilen" zei de vader. "Ja maar, ‘k hè kik benauwd, weeie", zei de zeune. En ie moste zijn mes met den ichte (handvat) in de grond steken, en met de lemme (snede) omhoge, omdat ’t kwaad up da mes zou vallen. En sedert ton was diene lucht weg.
Onderwerp
SINSAG 0212 - Spötter pfeift Feuermann heran
  
Beschrijving
Een jongen ging aan zijn vader vertellen dat er een lichtje op de molen zat. De molenaar wenkte naar het licht, waarop het snel kwam aangevlogen en tegen de deur botste. "Ga nu de zeilen maar van de molen halen", zei de molenaar. Dat durfde de jongen echter niet. Hij moest zijn mes met het heft in de grond steken en met het lemmet omhoog. Het kwaad zou dan op dat mes vallen. Toen de jongen dat had gedaan, was het lichtje verdwenen.
Bron
M. Reynaert, Leuven, 1965
Commentaar
1.3 Vuurgeesten
west-vlaams (ieper)
32
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Zandvoorde   
