Hoofdtekst
‘k Had een broertje, die ziek was. En dat kind was stijf (zeer) ziek van de mazels, en dat is waar wè (hoor) ’t gene da’k hier gaan zeggen. En dat kind lag op sterven, en wieder (wij), zelve nog kinders zijn, me (we) moesten in ons bedde, en je weet he as je een hond hoort huilen ’s nachts dat dat een doon (dode) is en je smijt etwa (iets) voor under (hen) weg ’t hebben, ze gaan blijven. En dat kindje was ziek en ‘k horen kloppen op m’n kamer en ‘k roepen en ‘k horen niks en ‘k staan ik op en ‘k gaan naar binnen in onze kamer en ‘k zeggen: “moeder, ze kloppen op m’n deure.” “Allez, zeg ze, je droomt, ga zère (vlug) slapen, en broertje is juiste dood”, zei ze. En dat was broertje die op de deure klopte voor datten wegging.
Onderwerp
SINSAG 0486 - Andere Todesvorzeichen.   
Beschrijving
Een meisje wiens broertje mazelen had, hoorde vanuit haar bed 's nachts een hond blaffen. Men geloofde dat dat een voorteken van de dood was. Toen het meisje even later op haar deur hoorde kloppen, stond ze op en sprak tot haar moeder: "Moeder, ze kloppen op mijn deur", waarop de vrouw antwoordde: "Je droomt, ga maar vlug slapen. Je broertje is net gestorven". Het meisje was ervan overtuigd dat haar broertje op haar deur was komen kloppen voor hij vertrok.
Bron
J. Aspeslagh, Leuven, 1958
Commentaar
1.4 Luchtgeesten
west-vlaams (kamerlingsambacht)
130
Kindertijd van de informant
memoraat
Naam Locatie in Tekst
Oostende   
