Hoofdtekst
We stonden in Beveren-Leie en het was kermis. Plots waren er twee schelven van Brabanders die in lichte laaie stonden. Natuurlijk, de dochter kwam gelopen, Marie-Claire, om te vragen of ik had willen gaan lezen voor die schelven. Ik ging als onderpastoor en ik las daar een gebed van de Kerk, zoals wij als priesters moeten doen en dat Ons Heer kan verhoren als het nodig is. Maar die mensen beweerden toen achteraf dat de wind zou gekeerd hebben op de moment dat ik daar gelezen heb. Er heeft maar één schelf afgebrand, de andere heeft geblust geweest. Is dat nu per toeval dat die wind gekeerd is? Zij zeggen dat die wind gekeerd heeft. Zij beweren dat die tweede schelf gered geweest heeft door dat feit. Is dat waar of niet? Ik weet het niet. Ik onderwerp mij aan de zaak van Ons Heer.
Beschrijving
Tijdens de kermis in Beveren-Leie waren twee hooischelven van Brabanders in brand gevlogen. Men ging snel de onderpastoor halen en vroeg hem of hij wilde bidden. Nadat de geestelijke een gebed van de Kerk had gelezen, draaide de wind, waardoor er maar één schelf afbrandde. De mensen beweerden later dat de onderpastoor de wind had doen draaien.
Bron
K. Erard, Leuven, 1966
Commentaar
2.2 Tovenaars
west-vlaams (ieper)
19
memoraat
Naam Locatie in Tekst
Boezinge   
Plaats van Handelen
Beveren-Leie   
