Hoofdtekst
’t Was ne keer ne joengen en je ging gaan vrijen bij een meiske. En da meiske en heur moedre da waren toveressen. En ze wilden naar ’t heksebal gaan. Die joengen wiste dadde en je gebaarde dat ie in slape gevallen was. De moedre kookte een ei en lei dat ip zijn hand voor te kijken o t’ie sliep. En je bleef slapen. En die moedre en heur dochtre pakten een doze uit de schouwe en ze wreven dadde in ulder handen en ze waren weg. Die joengen had da nu gezien en je dei da ook en je was ook weg. "Over al en deur al" zei t’ie en je kwam in England. En je zag daar die moedre en heur dochtre. En ze vroegen hem hoe dat ie were ging thuusgeraken. En je mocht ton mee met uldre. En je moeste ip een geitebukske springen en in ene sproeng was t’ie were thuus.
Beschrijving
Een jongen ging op bezoek bij zijn vriendin en deed alsof hij in slaap was gevallen. De jongen wist namelijk dat zijn vriendin en diens moeder heksen waren, die graag naar het heksenbal wilden gaan. De moeder kookte een ei en legde dat op de hand van de jongen om te kijken of hij sliep. De jongen reageerde niet. Daarna namen moeder en dochter een doosje met zalf uit de schouw. Ze smeerden zich in met de zalf en vertrokken. De jongen imiteerde de handelingen van de vrouwen en zei: "Over alles en door alles". Zo belandde de jongen in Engeland, waar hij zijn vriendin en diens moeder weerzag. De jongen mocht op een geitenbok met de twee vrouwen terug naar huis vliegen.
Bron
P. Vandewalle, Leuven, 1968
Commentaar
2.1 Heksen
west-vlaams (o van houtland)
0.5
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Waardamme   
Plaats van Handelen
Engeland   
