Hoofdtekst
De bezembinders trokken naar ’t Briskaveld om krakke (heet) [sic]. D’er stond daar ne kant wiemen en ze gingen zij dat daar trekken. En d’er was daar ook een weide en Osschaart liep daarin. D’er kwam daar een schoon wit peird afgedraafd en enen van die bezembinders zegt: "’k Zoe d’er mij wel ne keer willen opzetten." En hij sprong van op nen boom op dat peird, want da liep ziere (snel) en hij moest da just treffen (passen) hé. En hij liep heel den nacht rond de weie (weide) toe dat hij zweetige lijk nen das. En dat peird dat was Osschaart.
Beschrijving
Enkele bezembinders zagen een wit paard in de weide lopen. Eén van de binders sprak: "Ik zou met dat paard wel eens een ritje willen maken" en hij sprong vanop een boom op het paard. De hele nacht moest de man op het paard blijven zitten tot hij helemaal bezweet was. Dat paard was Osschaart.
Bron
O. Mattheeuws, Leuven, s.d.
Commentaar
1.5 Plaaggeesten
west-vlaams (grens oost- en zeeuws-vlaanderen)
87
fabulaat
Naam Overig in Tekst
Osschaert   
Naam Locatie in Tekst
Maldegem   
