Hoofdtekst
’t Wos in Woumen up èn hofsteê dat de koeien ezo morelden (loeiden) bij nachte. Ze zein dat de koeien met ulder steerten an de dilte hingen. En o ze ’s nuchtens gingen gon kijken, wos er geen strooi verdestrueerd (kapot gemaakt). En o ze kernden, kregen ze geen beuter. En ze gingen toen de paster halen om dat te belezen.
Beschrijving
Op een boerderij in Woumen maakten de koeien 's nachts veel lawaai. De dieren waren bovendien met hun staarten aan de zoldering gebonden. Wanneer men 's ochtends ging kijken, was er vreemd genoeg geen stro vertrappeld. Omdat de mensen op de boerderij geen boter meer konden karnen, lieten ze de pastoor komen om de boerderij te overlezen.
Bron
S. Top, Leuven, 1964
Commentaar
1.4 Luchtgeesten
west-vlaams (vrijbos)
31F
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Klerken   
Plaats van Handelen
Woumen   
