Hoofdtekst
’t Was hier een keer een koeier (koehoeder) die zo’n toverboek gevonden had van een Duitse Schaper, en j’ (hij) had daarin gelezen en niet weten wat datten las he. En ’t kwam daar al met een keer (opeens) een hopen van die kleine mannetje(s). Maar as je ze vraagt moet je ze werk geven ook en j’hadde geen werk genoeg natuurlijk. En dat liep daar rond, die mannetjes en ze wisten niet wat dat ze daarmee mosten doen. En die Duitse Schaper is daar ton tussengekomen en j’heeft hij een vat lijnzaad in d’ houtvumme (houtmijt) gegoten. En ze mosten weg, ze koten dat daar nooit uithalen.
Beschrijving
Een koewachter had gelezen in een toverboek van een Duitse schaper. De koewachter wist echter niet wat hij las, waardoor er opeens allemaal kleine mannetjes verschenen. Omdat de koewachter niet genoeg werk had om aan de mannetjes te geven, kwam de Duitse schaper hem te hulp. Hij goot een vat lijnzaad in een houtmijt. Daarop verdwenen de mannetjes, omdat het onmogelijk was om al het lijnzaad uit de houtmijt te halen.
Bron
J. Aspeslagh, Leuven, 1958
Commentaar
2.2 Tovenaars
west-vlaams (kamerlingsambacht)
fabulaat
Naam Overig in Tekst
Duitse schaper   
Naam Locatie in Tekst
Snaaskerke   
