Hoofdtekst
’t Was een boer die één peerd hadde en dien karton sliep in ’t peerdstal en op een zekere keer als hij thuiskwam, ’t was een peerdstal van twee slieten (vakken, boxen), zie je, en hij komt thuis, ten was daar nooit maar één peerd in, maar op dien gegeven avond ’t waren daar twee peerden in. En zegt’n: “Wuk (wat), ’t ander peerd heeft ijzers aan en gij niet, je moet ook ijzers hebben. ‘k Gaan naar de smid gaan” en in de middel van de nacht, den karton staat op en hij gaat naar de smid. “Wuk hapert er”, zegt de smid. “Je moet opstaan en rechtuit (direct) mijn peerd beslaan, et moet morgen te vieren weg, ’t is verkocht en ’t moet beslegen zijn of ze gaan ’t niet willen hebben”. De smid staat op en hij beslaat dat peerd en hij steekt dat weere in ’t stal en ’s nuchtends de boerinne liep met een paar ijzers aan heur handen en heur voeten. En ’t peerd was weg.
Onderwerp
SINSAG 0640 - Hexentier verwundet: Frau zeigt am folgenden Tag Malzeichen.
  
Beschrijving
Een boer bezat slechts één paard dat in de stal stond, waar ook de paardenknecht sliep. Toen de boer op een avond thuiskwam, zag hij tot zijn grote verbazing niet één maar twee paarden in de stal staan. "Het andere paard draagt hoefijzers en jij niet! Daar moeten we eens iets aan doen", sprak de boer tot het dier. Daarop zond de boer zijn paardenknecht midden in de nacht naar de smid. De smid stond op, kwam het paard beslaan en zette het vervolgens terug in de stal. De volgende ochtend was het tweede paard verdwenen en riep de boerin rond met ijzers aan haar handen en voeten.
Bron
A.-M. Devynck, Leuven, 1965
Commentaar
2.1 Heksen
west-vlaams (franse grens)
311
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Proven   
