Hoofdtekst
Mijn nonkel wunde op den Hagedoorn, hij hadde gegaan naar de klokkepit, die herberge, en benachte hij kam naar huis en als ’n een beetje gegaan hadde en dien wegel hij zag al elken kant water en hij ging en ’t was ossan ’t zelfste en ommekeer hij ziet een kleen dijkje en hij springt derover of hij peist het en hij zat tot aan zijn nekke in ’t water, hij vertelde dat, en hij zag toen weere land. En ’t en was daar pertang (nochtans) geen zovele water.
Beschrijving
Een man die 's nachts terugkwam van de herberg, raakte verdwaald. Aan beide zijden van de weg zag de man water, hoewel dat er normaal gezien niet was. Toen de man over een dijk wilde springen, viel hij in het water.
Bron
A.-M. Devynck, Leuven, 1965
Commentaar
2.1 Heksen
west-vlaams (franse grens)
253
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Beveren   
