Hoofdtekst
‘k Was ‘k ik nog ‘ne jonge kadé, en ‘k werkte ‘k ik met een van ’t gebuurte, Montie, in de cichoreien, bij ‘nen boer. En dien ouden mens vertelde tebinst dat we bezig waren met ’n portie cichoreien te kuisen.Hij woonde hij in ’n klein huizeke en dat was niet raar dat hij ontwekte ’s nachts deur ’n keerske die al buiten op de veister zat. Dat keerske luchtte deur de veister tot aan zijn bedde en hij kwam-t-er altijd wakker van. Ge koste der nieten aan doen dat ’t zo klaar was: ’t was lijk ‘ne faar. En ge mochte u tot over uw hoofd dekken, der was geen doen aan dat ’t zo’n klaarte gaf.
Beschrijving
Een boer die in een klein huisje woonde, werd 's nachts vaak wakker door een klein kaarsje dat op de vensterbank zat. Zelfs wanneer de man de dekens over zijn hoofd trok, zag hij het licht van het kaarsje nog steeds.
Bron
F. Van Houdenhove, Leuven, 1967
Commentaar
1.3 Vuurgeesten
west-vlaams (tussen schelde en leie)
20
Jeugd van de informant
memoraat
Naam Locatie in Tekst
Kaster   
