Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

DHERB0478_0479_25998 - Nel de heks en Jappeke

Een sage (mondeling), 1974

Hoofdtekst

Beschrijving

In de straat stond een vrouw te kreunen. Aan de overzijde van de straat stond een appelboom waarin een geel vogeltje zat. Het vogeltje sprak: “Maar vrouw, wat heb je?” De vrouw antwoordde: “Ik ben mijn Jappeke kwijt. Het mannetje is gisteravond naar het bos gelopen en hij is niet teruggekeerd”. Het vogeltje antwoordde: “Stop met huilen. Ik ben de koning van de vogels en ik zal alle vogels in het bos bijeenroepen, zodat ze uw Jappeke kunnen gaan zoeken”. De gele vogel sloeg met zijn vleugels, waarna er een boekvink, een merel, een leeuwerik, een kanarievogel en nog tal van andere vogels verschenen. De gele vogel gaf de andere vogels de opdracht om Jappeke te zoeken. Hij zei: “Mus, jij bent gewend je nest in een holle boom te maken. Kijk in alle holle bomen om te zien of Jappeke daar niet zit. Leeuwerik, jij vliegt altijd hoog boven de bomen. Vlieg eens rond om Jappeke te zoeken. Zwaluw, jij zoekt je voedsel op de grond. Kijk eens of Jappeke misschien ergens op de grond zit. Ekster, jij bent de slimste. Gebruik je verstand”. De vogels vertrokken. In het bos kwam een vrouw met een bord aardappelen uit haar huisje. De vrouw gooide de aardappelen op de grond, waarna de kippen alles kwamen opeten. Omdat er niets voor de ekster was overgebleven, vloog de ekster tegen het raam. Daar zag hij Jappeke bij de kachel zitten. De ekster vloog snel terug naar de gele vogel om te vertellen dat hij Jappeke had gevonden. Toen de vrouw vernam dat haar zoontje bij een heks was, werd ze zeer ongerust. Omdat niemand in de buurt van die heks durfde te komen, sprak de gele vogel tot de vrouw: “Ga naar de burgemeester en laat de veldwachter, de koster, de schoolmeester, de secretaris en twee politieagenten gewapend naar het huis van de heks gaan”. Het huis van de heks werd omsingeld en Jappeke werd eruitgehaald. “Wat kon ik doen?”, zei de heks, “Dat jongetje is hier gisteren aangekomen en ik heb hem een slaapplaats gegeven”. De pastoor zei: “Kom we nemen de heks mee. We zullen haar verbranden, dan zijn we van haar af”. Op het dorpsplein werd een groot vuur aangelegd en de heks werd erop gegooid. Toen alles was opgebrand, stond de heks op. De koorden rond haar handen en voeten waren verbrand, maar van haar rode haren was geen sprietje verbrand. De heks liep terug naar het bos. Daarna durfde niemand meer in dat bos te komen. Het was het heksenbos.

Bron

D. Herbots, Leuven, 1974

Commentaar

7. Sprookjes
brabants (oosten)
166H
fabulaat

Naam Overig in Tekst

Jappeke    Jappeke   

Naam Locatie in Tekst

Halle    Halle