Hoofdtekst
Z’èn hier twee broers anhoeden die van Langemark nor Rozebeke gingen met ulder peerden. Ze mosten dor deur’t bus gon nor huus en ze gerochten niet thuus. ’t Woren d’er twee van Westrozebeke. Z’èn gattakeerd geweest van Bakelandts volk. Z’èn stille gevollen in de dreve met ulder peerden voor èn hoop blaten. En ’t ging een van zijn peerd en den andern zorgde voor die peerden. En den deen die ofging, ging gon kijken nor dien hoop blaten want die peerden roken dadde. Is ‘ gelovelijk? ’t Is niet gelovelijk! En ’t zat dor e lijk oender. Z’èn toen olle twee gepakt geweest mor ‘k geloven dat er een e kunnen weglopen. Mor z’èn olle twee gegeseld geweest, bin (volgens) dat’k ik ol hoord èn enee?
Onderwerp
SINSAG 1320 - Andere Räubergeschichten.   
Beschrijving
Twee broers uit Westrozebeke die te paard door het bos van Langemark naar Rozebeke reden, werden onderweg aangevallen door de bende van Bakelandt. Eén van de paarden was onrustig geworden toen het een hoop bladeren op de weg zag liggen. De man was afgestegen om te kijken wat er aan de hand was. Onder de bladeren vond hij een lijk. Op dat ogenblik werd de man vastgegrepen door rovers. Zijn broer kon vluchten.
Bron
S. Top, Leuven, 1964
Commentaar
4. Historische sagen
west-vlaams (vrijbos)
186C
fabulaat
Naam Overig in Tekst
Bakelandt   
Bakelandt (bende van)   
bende van Bakelandt   
Naam Locatie in Tekst
Bikschote   
Plaats van Handelen
Langemark   
Westrozebeke   
Rozebeke   
