Hoofdtekst
Hetgeen ik nu ga vertellen heb ik zelf horen vertellen. Dat was rond de slijttijd. De boeren hadden in dienen tijd allemaal ne rootput. De slijtinge werd in diene put gedaan. Er was nu een paard in de vijver gevallen. Zij aan het trekken om dat paard daar uit te trekken. ’t Kwam daar ene die ook ne slechte naam had. “Ah wat doet gij daar?” vraagt ze, “wacht, ’t zal rap uit zijn.” Ze gaat er naartoe, steekt een handje toe en ’t was er op iet van ne niet (in een oogwenk) uit.
Beschrijving
Op een boerderij probeerde men een paard dat in de vijver was gevallen, er weer uit te trekken. De mensen hadden daar de grootste moeite mee. Op zeker ogenblik kwam er een vrouw voorbij, die een slechte naam had. Die vrouw zei: “Wat doen jullie daar? Wacht, het zal snel opgelost zijn”. De vrouw haalde het paard haast zonder enige moeite uit de vijver.
Bron
M.-P. Kesteleyn, Leuven, 1964
Commentaar
2.1 Heksen
oost-vlaams (vlaamse ardennen)
312
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Zulzeke   
