Hoofdtekst
Tovenaar geneest roos.Mijne vader die had de blijnroos (blaren). Die zijne neus was helemaal opgezwollen en die zijn gezicht dat zag allemaal rood: die zag daar veel van af: als ge daar maar aankwaamt dan trok die van de pijn. Het was daar erg mee en den ouwen doktoor Cattersel had hem al afgeschreven en hij was al helemaal weg ook. Wij woonden toen hier nog op 't hoekske in een café, die heette zo ook. 's Zondags na de hoogmis had boerke Reimmekes tegen Vercammen gezegd – dat was al een oud ventje van in de 70 jaar en die woonde aan 't Barreeltje, maar die kwam altijd naar hier naar de Mis – : "'t Schijnt dat het slecht is met Juul van Nettekes." Toen zei dat oud manneke: "Maar jongen, als ze dat moesten weten wat dat ik kan, dan zouden ze lopen;" Toen vroeg boerke van mee te gaan. "Dat mag ik niet doen", zei Vercammen, "ze moeten mij persoonlijk zelf komen roepen." Boerke Reimmekes die is dan direct naar ons gekomen en die zei: "Bertha, als ge rap zijt, daar is in 't straat een manneke en die kan dat genezen. Rijd er nog rap hene." Ons moeder schaarde (scharrelde) ne velo vast en die reed Vercammen rap achterna en ze zag hem altijd omkijken dat hem haar verwachtte en daarom dacht ze dat dat Vercammen was, want ze kende die niet. Ons moeder presenteerde hare velo maar die wilde die niet en ze was nog maar juist van hare velo gesprongen als ze terug thuiskwam of Vercammen die stond daar ook al. Die is toen op de kellekamer (kelderkamer) gegaan waar dat os vader lag en die lei zijn hand op ons vader's kop en ons vader was direct bij (bewust). "Doet dat nog eens", zei ons vader, "want dat doet deugd." Die reuste (wreef) altijd van achter naar voren naar de neus: langs daar moest dat daaruit komen. Waar dat die kwam, voelde ons vader de pijn wegtrekken. Die is dan nog bij ons vader blijven zitten nen druppel drinken tot vier ure in den achternoen. Ons vader vroeg waar hem dat gehaald had en Vercammen zei dat hem daarvoor drie mollen op zijn hand had moeten laten doodbloeden voor dat hem dat kost. Als hem iemand ging lijken dan was hem de macht kwijt en dan moest hem alles herbeginnen. Hij zei dat hem nog meer kunnen leren had maar dat dat te gevaarlijk was. 's Anderendaags kwam Cattersel te voet van Heist om te zien of er al een kruis stond en hij kwam binnen eens zien. Ons vader zat toen al op, maar die verschoot se!! "Hier moet een wonder gebeurd zijn", zei hem. Ze hebben dat thuis niet verteld hoe dat dat gekomen was, want de doktoors die zaten in dien tijd hard achter die mannen achter: die mochten dat eigenlijk niet doen. Den derden dag reed ons vader al naar Aarschot iets halen.
Beschrijving
Een man die roos had, en wiens gezicht helemaal rood was en onder de blaren zat, leed veel pijn. De neus van de man was opgezwollen. De dokter zei dat er geen hoop meer was voor de man. Toen een tovenaar uit het dorp te weten kwam wat er aan de hand was, zei hij: "Ze moesten eens weten wat ik kan! Dan zouden ze nogal lopen". Een boer wilde de tovenaar naar de zieke brengen, maar dat kon niet, want de mensen moesten de tovenaar zelf gaan roepen. De boer haastte zich dan ook naar de familie van de zieke. De vrouw van de zieke man sprong snel op een fiets en reed naar de tovenaar. Op haar weg naar huis dacht de vrouw dat de tovenaar achter haar aan reed, maar dat bleek niet het geval te zijn. Bij haar thuiskomst zag de vrouw dat de tovenaar al ter plaatse was. De tovenaar ging naar de kelderkamer waar de zieke lag en wreef over diens gezicht. De pijn trok langzaam weg en de man genas. De tovenaar is daar nog tot vier uur 's middags blijven zitten om een borrel te drinken. De tovenaar zei dat hij drie mollen op zijn hand had moeten laten doodbloeden om over dergelijke toverkracht te beschikken. Als de man een lijk ging opbaren, was hij zijn macht kwijt en moest hij herbeginnen. Hij had nog meer kunnen leren, maar dat was te gevaarlijk, zo beweerde hij. Toen de dokter de genezen man zag, zei hij: "Hier moet een wonder zijn gebeurd!"
Bron
W. Van Hoof, Leuven, 1963
Commentaar
2.2 Tovenaars
antwerps (heist-op-den-berg en omgeving)
256
Vader van de informant
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Beerzel   
