Hoofdtekst
De grootvader van Jong de Bakker die woor in Gellik geweest de repetitie van de kerkzang halen. En toen kwam do ene lelijken hond wei (toen) er alleen woor. En die hond blafte maar den helen tijd en sprong maar. En toen gonk dien hond op 't lange leste de weg van Brankmaal in en 't mentje (manneke) had al zeleven gestameld. Dien hond was ene weerwolf.
Onderwerp
SINSAG 0805 - Werwolf in Hundesgestalt als Begleiter (verrädt sich am folgenden Tag).   
Beschrijving
Toen de grootvader van Jong D.B. terugkwam van Gellik, werd de man gevolgd door een lelijke hond die de hele tijd blafte en tegen hem opsprong. Na een tijdje liep de hond weg langs de weg van Brankmaal. Die hond was een weerwolf.
Bron
W. Jackers, Leuven, 1958
Commentaar
1.6 Weerwolven
limburgs (bilzen)
101
fabulaat
Naam Overig in Tekst
Jong D.B.   
Naam Locatie in Tekst
Mopertingen   
Plaats van Handelen
Gellik   
