Hoofdtekst
Duivel voert iemand door de lucht mee.Da was in Sint-Antelinks, daar vrieg daar enen aan nen anderen of dat ie nie mee gink naar de kirmesse. En ie zei van ja. “Sé, zei dienen anderen, maar ge meugt onderwege, zei ’t hij, overal waar da me tegenkommen, zei ’t hij, g’en meugt geen woord spreken, zei ’t hij, ge moet altoos zwijgen”, zei ’t hij.En ze paktegen ouder op en ze waren weg.Maar aan de kerk te Sint-Antelinks, ze kwamen aan den toren, aan den hane. En ie kwam er mee zijn voeten tegen en ie en sprak hij niet.En as ie ginder kwam, da was kirmesse en da was daar muziek in huis en ’t schoonste muziek dat er ieversten bestond.“Ha, da es hier schoon muziek!”“Ha ja’t, gedore!”En dienen enen die hem meegeleid hâ draaidege daar aan da muziek.En dienen anderen zei:“Ha, laat mij ne keer draaien.”“Nem, zei ’t hij, ge meugt ook ne keer draaien.”En ie draaidege en ’t was gedomme ne kater die ’t hij bij zijne stert vast’hâ.Da was enen die mee ’t kwaad ommegink die hem misleid hâ.
Beschrijving
In Sint-Antelinks ging een man met zijn vriend mee naar de kermis. De vriend had echter gezegd dat de man onderweg geen woord mocht spreken. Onderweg botste de man met zijn voeten tegen de toren van de kerk van Sint-Antelinks, maar hij zei geen woord. Aangekomen op de kermis hoorde de man wondermooie muziek. Hij ging naar het draaiorgel en wilde ook eens draaien. Toen hem dat werd toegestaan, zag hij dat hij de staart van een kater in zijn hand had.
Bron
R. De Geeter, Gent, 1952
Commentaar
3.1 Duivels
oost-vlaams (zuiden)
222
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Hemelveerdegem   
Plaats van Handelen
Sint-Antelinks   
