Hoofdtekst
Moeder en ik, me gingen naar Smets, en as me (als we) werekeerden me(t) zagen daar een boom geheel in brande. ’t Stonden daar drie bomen en ‘k zien ze nog staan. En dat was een doodkeerse die daar boven brandde, en dat was daarvan dat dat brandde. ‘tWas elve (elf uur), maar me dosten (durfden) daar niet voorbij wè (hoor), me gingen wel een kart (kwartier) omme. En dat brandde daar alle nachten, ’t hebben er dat vele gezien. En dat was een vent die dood was, maar die daar ze (zijn) geld gesteken (gestoken) hadde en niet uitgehaald. En die vent moeste daar altijd werekeren voor (om) dat te tellen. Geheel die krone brandde, ‘k zien ’t nog en ’t is zovele jaren geleen.
Onderwerp
SINSAG 0183 - Schatzfeuer zeigt die Stelle, wo der Schatz ruht.
  
SINSAG 0182 - Wiedergänger als Irrlicht   
Beschrijving
Een vrouw die samen met haar moeder op pad was, zag om elf uur 's avonds drie bomen waarvan er één in brand stond omdat er een doodkeers in zat. De twee vrouwen waren zo bang dat ze een omweg maakten. Het licht dat daar iedere nacht brandde, was de ziel van een overleden man die zijn geld daar verborgen had, maar het nooit had bovengehaald. De man moest altijd terugkeren om zijn geld te tellen.
Bron
J. Aspeslagh, Leuven, 1958
Commentaar
1.3 Vuurgeesten
west-vlaams (kamerlingsambacht)
59
memoraat
Naam Locatie in Tekst
Leffinge   
