Hoofdtekst
Aan Mie van Jo van W., dat was zo een klein huiske, en dan zegden ze altijd dat daar de weerwolf zat hè. En toen zegden ze zo: 'Als hij nog eens komt, dan moeten we toch eens proberen of we hem niet kunnen vangen.' En die vrouw haar broer, die had een goede zakdoek hè - in het schanshout ja - en toen is hij daarin gevlogen en toen moet hij in die schans gebeten hebben. En toen hebben aangehouden, toen had hij allemaal rode vetsemen, rode vetsemen tussen zijn tanden van die zakdoek. Maar wie dat was geweest, die naam heb ik toch niet onthouden. Ze wisten nog wie het was maar het is al zo lange jaren geleden. Ja, de vetsen van de zakdoek tussen zijn tanden, zo hebben ze hem gepakt. Daar moeten toch wel getuigen van zijn en anders...
Onderwerp
SINSAG 0823 - Das zerbissene Tuch.   
Beschrijving
Men vertelde dat er een weerwolf in het huisje van Mie zat. De weerwolf werd ontmaskerd toen men rode vezels van een zakdoek tussen zijn tanden zag zitten.
Bron
W. Achten, Leuven, 1971
Commentaar
1.6 Weerwolven
midden-limburgs
m"'
fabulaat
Naam Overig in Tekst
Mie   
Naam Locatie in Tekst
Zutendaal   
