Hoofdtekst
Op de wenning (= hoeve) bo nu F. woont, was vroeger ene knech(t), dat was ook ene weerwolef. En 's avonds, als dat op hem viel, dan moest er uit. Op ene viese keer kigde (= keken) ze hem eens noa, en toen zagen ze - in die kanadassen (= soort populier) doa, ziet zje ze doa staan? - doa was enen eksternes(t) in, en he ging op as mins, en he kwam af as hond. Doa had er zij(n) kostuum steken. Toen dach(t) de boer 'nu gon ich hem eens wijd voert sjikke (= ver weg sturen) met de pjaad (= paarden), en he zei tegen d'ander: 'terwijl gaat zje het afhalen en dan zullen we het verbjanne.' Ze hadden de hôave (= oven) goed aangemaak(t), en toen was het kreeg (= nauwelijks) in de hôave, was de knech(t) al terug met de pjaad (= paarden)! en he was zo wijd moeten gaan, op enen ha(l)ve dag waart zje nie overenwier (= heen en weer) en he wilde het in de hôave gaan halen, mè d'ander hiel(d)en hem tegen en toen was het opgebjand. 'Nu ben ich verlos(t)' zeiter. De weerwolef da's ene sjofert, die deed niks as minse plagen en hun geld afnemen.
Onderwerp
SINSAG 0824 - Die verbrannte Haut (Gurt, Halsband)   
Beschrijving
Op de hoeve waar later F. is komen wonen, verbleef vroeger een knecht die weerwolf was. Op een dag ontdekte men dat de jongen zijn dierenvel had verborgen in een eksternest in een canadese populier. De knecht kroop als mens in de boom en kwam even later als hond naar beneden. De boer besloot de knecht op een dag ver weg te sturen met de paarden, zodat hij ondertussen de kans kreeg om het dierenvel te verbranden. Zodra het vel vuur vatte, stond de knecht echter al bij de oven om zijn vel te redden. Maar daarvoor was het reeds te laat. Toen het dierenvel helemaal was opgebrand, zei de knecht opgelucht: "Nu ben ik verlost!" Gelukkig maar, want weerwolven deden niets anders dan mensen plagen en bestelen.
Bron
M. Dreezen, Leuven, 1967
Commentaar
1.6 Weerwolven
limburgs (tongeren en omstreken)
1027
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
's Heerenelderen   
