Hoofdtekst
Dat was voor ’14, X zijn vader was een stijven ouden man, z’hadden geiten en ze molken ze, en z’hadden een klein kerentje (karn), en ze kerenden daarin butter. Op een zeker moment dat kerentje was weggetoverd. Ze vonden het niet meer. En ik was dikkers bij X, dat was een duivenliefhebber. Zegt’n, ‘k moeten mee, ze gingen naar West-Vleteren te voete en een zekeren tijd achterna, z’hadden het were.
Beschrijving
Een man had een klein botervat waarin hij boter maakte van de melk van zijn geiten. Op een dag was het botervat merkwaardig genoeg verdwenen. Toen de man naar Westvleteren ging, vond hij het botervat weer.
Bron
A.-M. Devynck, Leuven, 1965
Commentaar
2.1 Heksen
west-vlaams (franse grens)
280
Vóór WOI
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Watou   
