Hoofdtekst
Beschrijving
Een vrouw ging samen met een vriendin de rozenkrans bidden voor een dode. In het huis waar de rozenkrans werd gebeden, hoorde de vrouw een gekonkelfoes, wat de achterdocht van de vrouw wekte. Op haar weg naar huis hoorde de vrouw bij een hoge sparrenhaag een bel rinkelen. De vrouw nam een baksteen en gooide die zo hard ze kon naar de rug van een man die een zwart kleed over zich heen had gegooid en op handen en voeten over de grond kroop. De volgende dag hoorde de vrouw van haar buurman: “Je moet daarvoor toch een beest zijn om die man zo een slag te geven. Hij ligt in zijn bed”. Daarop reageerde de vrouw: “Je moet nog een groter beest zijn om twee vrouwen bang te willen maken! Maar ik ben niet bang”.
Bron
F. Vandesype, Leuven, 1977
Commentaar
1.5 Plaaggeesten
brabants (zuid-west)
24G
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Oetingen   
