Hoofdtekst
In ’t joar 1925, in de wienter, giengen een moeder en een meiske ne keer wandelen, roend den zevenenhoolf, te Ingelmunster. De moeder hoeorde olmetnekeer entwodde (iets) krevelen achter heur. Ze kreeg ne slag dat ze in den diek (gracht) rolde. Ze kroeop er were ut en ze was er were in geslegen, tot drie keren toe. Het meiske vroeg: “Moeder, wat is er”? Mo ze koste niet spreken of tieren en het meiske zag niemand. oe ze thus kwoamen, koste gaan van de twee spreken. Achter 4 moanden is de moeder ervan doeod gegoan. Den dokteur gienk olle doagen.
Beschrijving
Op een winteravond in 1925 gingen een moeder en een dochter uit Ingelmunster wandelen. Onderweg hoorde de moeder plots een geluid achter zich. Toen ze achteromkeek, kreeg ze een slag, waardoor ze in de gracht rolde. Tot driemaal toe viel de moeder opnieuw in de gracht, hoewel er niemand te zien was. Vier maanden later is de moeder gestorven.
Bron
R. Callens, Leuven, 1968
Commentaar
1.5 Plaaggeesten
west-vlaams (tielt en izegem)
100
1925
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Oostrozebeke   
Plaats van Handelen
Ingelmunster   
