Hoofdtekst
De zwarte mannekes van de Spillemansdreef.Mij zuster, d’aadste van ons kinderen, ons Lydine, moest bij Emelie gaan thuis wachten.Emelie da was een aad vraken en die had de naam van tuëverheks, maar nu was ze ziek en daarom moest mijn zuster daar gaan.Da mens kwam overal waar dat er een kindje was en de mensen zein: “Ge moet oppassen as ze vraagt om a kindje te mogen zien want ’t is een tuëveres.”Maar zijn moeder die wou da nuut geluëven en daarom stuurde ze d’r mij zuster toch maar netoe.Mijn zuster die zat daar ne gansen avond en zuë rond den twaalven zei ze: “Geef mij dien boek, want ‘k moet gaan spuëken.”Mij zuster die geeft da en die vra zit da gelijk iën die leest en ze zei tegen mijn zuster: “Zet de deur open, de zwerte mannekes van Spillemandsdreef (Puivelde – Belsele) zijn daar”, en mijn zuster zette die deur open.Nu zat doe vra daar met dien boek in heur handen gelijk een levende duë en ze verzetten heur giën struët ne miër.Rond iën uur van de nacht was ze vedrom gelijk iën die wakker wird. Ze zei: “Laat die mannekes na maar al buiten, ik ben hier.”Mijn zuster die was natuurlijk om te sterven van schrik en ze wou d’r ne miër gaan thuis wachten.
Beschrijving
Een vrouw moest gaan waken bij een zieke oude vrouw die ervan verdacht werd een toverheks te zijn. Die toverheks kwam altijd op bezoek bij mensen die een klein kindje hadden en vroeg dan om het kindje te mogen zien.
Toen de vrouw bij de zieke zat te waken, sprak deze laatste om middernacht: “Geef mij dat boek eens, want ik moet gaan spoken”. Nadat de zieke vrouw een tijdje in het boek had gelezen, zei ze: “Zet de deur open, want de zwarte mannetjes van de Spillemansdreef zijn daar”. De zieke vrouw bleef stokstijf zitten met het boek in haar handen alsof ze dood was. Om één uur ’s nachts zei de zieke: “Laat die mannetjes nu maar buiten, ik ben hier”. De vrouw die daar zat te waken, was doodsbang en wilde nooit meer naar de zieke vrouw gaan.
Toen de vrouw bij de zieke zat te waken, sprak deze laatste om middernacht: “Geef mij dat boek eens, want ik moet gaan spoken”. Nadat de zieke vrouw een tijdje in het boek had gelezen, zei ze: “Zet de deur open, want de zwarte mannetjes van de Spillemansdreef zijn daar”. De zieke vrouw bleef stokstijf zitten met het boek in haar handen alsof ze dood was. Om één uur ’s nachts zei de zieke: “Laat die mannetjes nu maar buiten, ik ben hier”. De vrouw die daar zat te waken, was doodsbang en wilde nooit meer naar de zieke vrouw gaan.
Bron
V. Van Onsem, Leuven, 1967
Commentaar
2.3 Toverboeken
oost-vlaams (waasland en dendermonde)
246
Zus van de informant
fabulaat
Naam Overig in Tekst
zwarte mannetjes van de Spillemansdreef   
Naam Locatie in Tekst
Belsele   
Plaats van Handelen
Spillemansdreef   
