Hoofdtekst
Toe (te) Keiem j’hebt daar de Duivelswal. ’t Woonde daar een zekeren Boekenare, en die vent was hengsteboer. En ze dolven daar een keer de wal, maar dat is misschien wel honderd jaar geleen, en ze kwamen op een grote zware ijzeren koffer. En hoe dat ze ook trachtten van dat d’r uit te krijgen, dat ging aan geen kanten. En je lei hij al z’n hengsten en z’n peerden, allemale aan een zware boom datten aankoppelde met een keten aan die koffer. En as ze gereed waren voor te trekken, ze sprongen vooruit en achteruit. Trekt, duivels, zeiten. En die kiste schoot weer in ’t slijk. De duivels waren gekomen voor te trekken. Die koffer was were in d’helle geschoten. Daarmee heet dat daar Duivelswal. Z’hebben later altemets (nu en dan) ook nog een keer gedolven wè, d’rachter.
Onderwerp
SINSAG 0949 - Teufel hütet Schätze, hält Schatzgräber zurück.   
Beschrijving
Een boer in Keiem die bij een wal een gat had gegraven, vond een ijzeren koffer. Hij spande al zijn paarden in om de koffer boven te halen, maar tevergeefs. Omdat het maar niet wilde lukken, riep de boer: "Trek, duivels, trek!" Daarop viel de koffer weer in de put. De duivels waren gekomen om de koffer naar de hel te trekken. Sindsdien werd die plaats 'de Duivelswal' genoemd.
Bron
J. Aspeslagh, Leuven, 1958
Commentaar
4. Historische sagen
west-vlaams (kamerlingsambacht)
316
Omstreeks 1850
fabulaat
Naam Overig in Tekst
Duivelswal (Keiem)   
Naam Locatie in Tekst
Snaaskerke   
Plaats van Handelen
Keiem   
