Hoofdtekst
Op de Langerstrate was een hof en die mensen heettegen van Rullies. En Aarnout hâ ne keer een boekske gevonden op de bane en ie had da boeksk’ opgeraapt en in gelezen, maar niet verstaan wat dat hij gelezen hâ, newaar.Maar de duvels waren op de hof ‘kommen daar; ie had hij den duvel gevraagd.En ze waren t’ende raad en de knecht was te perde om de paster gelopen. En as ie bij de paster kwamp, ie verteldege dat newaar, wat dat daar ommegink.En de paster zei tegen diene knecht:“Begint gij maar te gane, zei ’t ie, ‘k zal kik gaan rechtendeur kommen”, zei’t ie.En as ’t ie (de knecht) thuis kwam, de paster kwamp al tegen hem, dat ie daar al geweest hâ, dat al ‘weest ontdoen hâ.
Onderwerp
SINSAG 0751 - Der Zauberlehrling.   
Beschrijving
Een man had langs de weg een boekje gevonden. Hij had het boekje opgeraapt en was erin beginnen lezen, hoewel hij de tekst niet begreep. Daarna waren er duivels verschenen op de boerderij waar die man woonde. De knecht ging de pastoor halen en vertelde wat hem was overkomen. De pastoor sprak tot de knecht: "Ga jij alvast terug naar huis. Ik kom meteen". Toen de knecht bijna thuis was, kwam de pastoor hem al tegemoet; hij was al terug van zijn bezoek aan de boerderij.
Bron
R. De Geeter, Gent, 1952
Commentaar
2.3 Toverboeken
oost-vlaams (zuiden)
207
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Schorisse   
