Hoofdtekst
Alida Leersnijders in Vijve, zij had zij ook toverboeken. En de mensen waren der al schuw van want er waren der vele die aardig vaarden. En ze wilde ze aan niemand tonen. En de paster is-t-er zo dikwijls naartoe geweest, en gevraag, en schone gevraagd, om ze te zien of te krijgen. Maar ze wilde niet zulle! Ja, ze ging toen niets meer kunnen doen hé. En alzo koste ze vele!En ze heeft alzo ‘ne keer Roosens ‘nen hond betoverd: ze zat in die boeken te lezen – en ze hoorde noch ze zag als ze daarin zat te lezen – en ze zat ‘ne keer in die boeken te lezen, en dien hond passeerde. En van ’t moment was hij betoverd, hij was lijk zot!Ja, maar z’is toch weg gemoeten zulle, ze heeft dat niet meer mogen doen.
Beschrijving
In Sint-Eloois-Vijve woonde een vrouw die toverboeken bezat. De pastoor heeft meermaals gevraagd of hij de boeken mocht meenemen, maar de vrouw liet dat niet toe. Wanneer die vrouw in haar boeken las, hoorde of zag ze niets. Toen er op een dag een hond voorbijkwam terwijl de vrouw aan het lezen was, werd het dier betoverd. De hond leek wel gek te zijn geworden. Uiteindelijk is men er toch in geslaagd die vrouw te verhinderen nog langer in haar boeken te lezen.
Bron
F. Van Houdenhove, Leuven, 1967
Commentaar
2.3 Toverboeken
west-vlaams (tussen schelde en leie)
476
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Sint-Eloois-Vijve   
Plaats van Handelen
Sint-Eloois-Vijve   
