Hoofdtekst
En toen etten de kapelaan vermaand van Esen. De kapelaan e gevraagd voor zijn boeken t’èn. En zegten: "Kijk! Die boeken zitten dor in dat bijenkot en oj ze wilt èn, je meugt ze dor uuthalen." "Mor," zegten, "menere, je gaat dood gestraald zijn." En de kapelaan e schone gesproken voor die boeken t’ènne. "Wel", zei Louïs, "’k gon z’ik bringen." Enn’e ze toen ofgeleverd en ’t wos toen gedon met tovern. ’t Moet toch zijn dat dat gaat met die boeken enee? Enn’is hij toen kortelings dood gegon. Vader wos olle zundage bij Louïs. Mor e die vint de menschen toch holpen! Mor ne koste geen gloriezotten verdragen.
Beschrijving
Een man die toverboeken bezat, kreeg bezoek van de kapelaan van Esen, die de boeken wilde komen ophalen. De tovenaar sprak tot de kapelaan: "Kijk, de boeken zitten daar in dat bijenhok. Als je ze wil hebben, dan neem je ze maar. Maar let wel op, je zal dood gestraald worden!" Na veel aandringen kreeg de kapelaan de tovenaar zover dat hij de boeken zelf zou komen brengen. Kort daarop is de tovenaar gestorven.
Bron
S. Top, Leuven, 1964
Commentaar
2.3 Toverboeken
west-vlaams (vrijbos)
98M
Vader van de informant
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Woumen   
Plaats van Handelen
Esen   
