Hoofdtekst
Op ne keer kwamp “Pieres Vorken” en hij ging recht naar de stal, en hij vroeg aan mijn moeder een glas bier. “Komme zet een beetjen bij mij” “’k en heb genen tijd”, zei ze. Maar mee den anderen zei hij: “Gij en hebt geen princessen zeker?” “Toe, ‘k heb schoon princessen”, zei ze. “’k Zal er u een ponsje (handvol) brengen” “’t en is niet vandoen (niet nodig), ‘k heb er genoeg staan.” Maar de week daarnaar bracht hij dan toch een ponsje. En mijn poeder en kost niet min als dat aanvaarden hé, en diëne zelde nacht, azo rond den twaalven kwamp er een onweer op, en dat was een lawaait op de zolder, ’t was precies hoe dat al de pannen van ’t dak vlogen. En mijn vader stond op en hij ging buiten kijken maar hij en zag niemendalen; en dat was in ’t lijf geslegen, en vijf maanden lang zat mijn moeder mee de gravel (schrik). En ze ging bij de paters als dat nimmer uitstaandelijk en was, en de pater zei dat ze moest een neuvaine doen en dat den diën die dat deed binst de negen dagen zou gekomen hebben, en hij heeft geweest ook, en toen is dat gedaan geweest.
Onderwerp
SINSAG 0750 - Andere Zauberei.   
Beschrijving
Een boerin had van een man uit het dorp prinsessenbonen gekregen. De vrouw had niet anders gedurfd dan de bonen te aanvaarden. Toen de boerin die nacht in haar bed lag, hoorde ze omstreeks twaalf uur dat er een onweer opstak. Op de zolder was zoveel lawaai te horen dat het leek alsof alle pannen van het dak werden geslagen. De boer stond op, maar zag niets. Nadat de boerin een pater had laten komen, gebeurden er geen vreemde dingen meer op de boerderij.
Bron
M. Van Der Linden, Leuven, 1964
Commentaar
2.2 Tovenaars
oost-vlaams (denderstreek)
536
Moeder van de informant
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Idegem   
