Hoofdtekst
Ene man was met zijn kar aan 't varen; hij bleef steken, hij kwam een heks omtegen en kon niemee van plak, de pjaad (= paarden) wilden nie trekken, niks aan te doen! 'Pak maar eens ene dikke stek en begint maar op de spaken van 't rad te houwen!' en ze deden het. Toen kwam de heks uit en ze zei: 'scheid maar uit met houwen, ich zal oech (= U) uitlaten.' Toen kègde (= riep) de man 'höp!' op de pjaad en ze waren weg.
Onderwerp
SINSAG 0534 - Die dreizehnte Speiche   
Beschrijving
De kar van een boer was vastgereden op het ogenblik dat er een heks voorbijkwam. Toen de boer met een stok op de spaken van het wiel sloeg,riep de heks: "Hou maar op met slaan; ik zal je laten verdergaan!" Daarna kwam de kar moeiteloos in beweging.
Bron
M. Dreezen, Leuven, 1967
Commentaar
2.1 Heksen
limburgs (tongeren en omstreken)
799
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Vreren   
