Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

HSCHO0590_0590_11044

Een sage (mondeling), maandag 15 januari 1996

Hoofdtekst

42 En vroeger maakten de ‘läöi’ de kinderen ook bang, hé, voor dat of dat, hé. Dan was het voor het mannetje of voor dit of voor dat. Ja, hé.I En: "Kom niet te kort bij die put" of zoiets.42 Ja, maar ook als je te ver wegliep: "Oh, pas maar op, of het mannetje vangt je." Dan was het een mannetje.I Oh, nu dat ge het zegt, opa (= onze grootvader, informant 2) heeft eens wat gezegd, geloof ik, van ‘Jèpke Déénk’. Hebt ge daar ooit van gehoord?42 Jèpkes, dat moet hier ergens geweest zijn, dat was hier.I Ja, maar het had niks met Jèpkes te maken, het was gewoon de plaats. Daar moest een ‘déénk’ (= ding), daar moest wat zitten. Ik denk dat ze dat tegen m’n opa zeiden van: "Ga maar niet te ver weg, want daar zit ‘Jèpkes Déénk’.42 Jaja, zoiets ja.I In die aard dan. En spoken deden ze ook vroeger?42 Ja, het was altijd: spoken, spoken. Dat was … Voor het minste … Alles was een spook vroeger. Maar ik zeg het, dat was de ‘läöi’ hun schaduw, hé. De ‘läöi’, ze hadden nog maar een lampke bij; het was ‘gemeenlek’ (= gewoonlijk) een lantaarn wat ze hadden. Een ‘pitslaamp’ (= zaklamp) bestond in die tijd nog niet. Zeker niet, want in onze tijd was dat maar zelden dat je de ‘pitslaamp’ kreeg.

Beschrijving

Opdat de kinderen niet te dicht bij een put zouden komen, maakten de mensen hen wijs dat er een spook in de put zat.
Wanneer de mensen vroeger met een lantaarn op pad gingen, aanzagen ze hun eigen schaduw vaak voor een spook.

Bron

H. Schoefs, Leuven, 1996

Commentaar

1.5 Plaaggeesten
limburgs (groot-riemst)
42M 590
fabulaat

Naam Locatie in Tekst

Zussen    Zussen