Hoofdtekst
’t Is olleszins in de Vlaanders gebeurd en ’t is dor e moeder die joeng gestorven is. En up e zekern keer ging dat meischge van e jor of twolve nor de kelder en ze zag dor ook etwien zitten, lik e gedaante. En ze zei heur bij heur name: "Je moet geen schrik èn mor geef jen hand. Mor haalt eerst e zakdoek!" En ze gaf e zakdoek en ze gaf toen heuren hand en dien hand stoend in die zakdoek geprent. Volgens dat ’t schijnt wos dat heur moeder want ze zei: "Kind," zegt ze, "’k gon niet meer werekommen, mor leest vele voor mij!"
Onderwerp
SINSAG 0450 - Andere Tote spuken.   
Beschrijving
In een huis in West-Vlaanderen was een moeder jong gestorven. Op een dag ging de twaalfjarige dochter naar de kelder en zag daar een vreemde gedaante zitten. Vervolgens hoorde het meisje de stem van haar moeder spreken: "Je hoeft niet bang te zijn. Geef me je hand, maar ga eerst een zakdoek halen!" Nadat het meisje dat had gedaan, brandde haar dode moeder een hand in de zakdoek. Daarna sprak de moeder: "Kind, ik zal niet meer terugkomen, maar je moet veel voor mij bidden."
Bron
S. Top, Leuven, 1964
Commentaar
1.4 Luchtgeesten
west-vlaams (vrijbos)
97C
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Woumen   
