Hoofdtekst
Marie Defoort die in de Gitsstraat weunde in Roeselare wos oltied ziek. En ze hadde zij een dochter, een van heure tweede man. En die dochter had een kind die bij hunder wos. En Marietje wos oltied zo oardig, en ze zeiden: goa noar O.L.V.kerke, ze dienen doar voer olle ploagen. En Marie goenk, en der zoaten der nog twee voor heur. En den onderpaster kwam en je pakte Marietje voren. En je ging ie dat oflezen, en dat is straf lastig. En je zeim: wete gie wie dat er joe dat gebakken heet? De grootmoeder van dat kind dat je bij joe (u) heet.
Beschrijving
In Roeselare woonde een vrouw die altijd ziek was. De vrouw had een kleindochter van de dochter van haar tweede man. De zieke vrouw zorgde vaak voor haar kleindochter. Op een dag ging de zieke vrouw op bedevaart naar de Onze Lieve Vrouwekerk. De onderpastoor overlas de vrouw en zei: "Weet je wie jou dit heeft aangedaan? De grootmoeder van het kind dat je vaak in huis hebt".
Bron
H. Van Wassenhove, Leuven, 1967
Commentaar
2.1 Heksen
west-vlaams (groot-roeselare)
187
fabulaat
Naam Overig in Tekst
Onze Lieve Vrouwekerk (Roeselare?)   
Naam Locatie in Tekst
Roeselare   
Plaats van Handelen
Roeselare   
