Hoofdtekst
We hadden zo ne keer een varken die lam lag en die niet op en kost; en we hadden weer de paters gevraagd en ik en mijn broer hadden dat varken ne keer opgepakt en op zijn poten gezet, en een wat vastg’houden hé, maar dat zakte altijd weer door zijn benen. En een goei halfuur daarna komt de pater en ik zei hem wat dat dat was; “pakt ne keer wijwater en palmtak”, zei hij. En hij ging naar ’t kot en dat varken lag ginder; en daar wijwater gedriest (besprenkeld) en hij leesdegen, en allemaal d’ander koten ook gewijd; en als dat gedaan was trok hij weer de deur van dat kot open; “dat varken kan lopen zelle”, zei hij. “Haal ne keer een beetjen water” zei hij. En mee dat koud water op dat varken, dat verken was verskosjt (bevangen). En dat verken sprong op en ’t bleef hij lopen.
Beschrijving
Op een boerderij waar men een verlamd varken had, liet men een pater komen. De geestelijke besprenkelde alle stallen met wijwater en goot daarna een beetje koud water op het verlamde varken. Het dier sprong onmiddellijk op en kon weer lopen.
Bron
M. Van Der Linden, Leuven, 1964
Commentaar
2.1 Heksen
oost-vlaams (denderstreek)
665
memoraat
Naam Locatie in Tekst
Aspelare   
