Hoofdtekst
’t Was te min nonkels, en ’t wos nie verre van de Nunnebos, en we zagen tussen de takken van de bomen daar olsan ’n luchtje. Voilà, zei min nonkel, dadde es een doodkeerse, en ik die ton nog ne jonge gast wos, zeie: "Wadde is da ton?..." "Wel, dat gaat kommen", zei ’t ne "moet ke ze ne keer winken, en ge gaat ne buus horen up de voordeure, en ’t gaat een hand up de deure gebrand staan", en hij winkte ze en we gingen binnen, en achter een endeke hoorden we ne grote buus up de deure, en we wachten nog een beetje, en we gingen gaan kijken, en ’t stond daar zo lik ’n hand in de deure gebrand.
Onderwerp
SINSAG 0212 - Spötter pfeift Feuermann heran
  
Beschrijving
In de buurt van het Nunnebos zagen enkele jongens altijd een lichtje tussen de takken bewegen. "Dat is een doodkeers", zei de oom van één van de jongens, "je moet er eens naar wenken. Het lichtje zal dan dichterbij komen en met een bons tegen de deur slaan. Daarna zal er een hand in de deur gebrand zijn". Toen de oom naar de doodkeers had gewenkt, stond er inderdaad een verbrande handafdruk op de deur.
Bron
M. Reynaert, Leuven, 1965
Commentaar
1.3 Vuurgeesten
west-vlaams (ieper)
31
Kindertijd van de informant
memoraat
Naam Locatie in Tekst
Zonnebeke   
Plaats van Handelen
Nunnebos   
