Hoofdtekst
I -En van in dat water zeiden ze dat niet, zat er daar zo geen Osschaert in? Of zoiets dat u in ‘t water trok?27 C -Maar dat zijn kolken hé, maar dat zijn geen mensen hé.II -Ja, maar kolken hebt ge toch maar in stromend water.I -Ja, maar werd er dan niet verteld dat er een geest in dat water zou gezeten hebben?27 -Ah, vaneigens, ah ja, dat zijn maar gezegsels, maar dat is niet waar zulle (hoor), want wij hadden ook een weiden en als gij daar dierf u te ver in begeven, een put die erin was hé.II -een drinkput voor de beesten?27 -Ja, voor de beesten, maar als gij u daar te ver durfde in te begeven, dan zakte gij daar in, een draaikonkel die ge nu nog in de waters aan de zee hebt, maar dat was van de kwelm hé, dat was te machtig , dat was geen geest, maar de mensen zeiden dat omdat ge er niet wreed tegen zou gegaan hebben, ziet ge?II -Quelm, dat is ding, drijfzand hé.27 -Ja, in de tijd op de Pardassenhoek zat er schrikkelijk veel, beneden de(het) bos, wij hadden daar een grote plekke land, want mijn vader heeft dat thuns (dan) niet meer gewild, maar als hij dat omreed, dat was toen nog met koeien, wel, dat was al van dat drijfzand, jong en kwelm dat er boven kwam. Pattoters (aardappelen) groeiden er goed op , maar graan dat was allemaal met plekken, door den duur moest hij er anders niet opzetten dan luzerne.I -En hebt ge nog gehoord van een dwaallicht of zo van die vlammetjes boven...?
Beschrijving
Om te verhinderen dat mensen in een draaikolk zouden verdrinken, vertelde men hen dat er watergeesten in het water zaten.
Bron
C. De Winne, Leuven, 1999
Commentaar
1.1 Watergeesten
oost-vlaams (groot-zottegem)
27C
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Grotenberge   
