Hoofdtekst
M’n grootvader kwam ne keer naar huus en je kwam over Pittens hof en ’t kwam daar amenekeer een grauwe katte en ze kwam alten mee en je streelde ze en amenekeer, j’had hem geen katte en je zegt: "Wacht, ‘k ga ze mee pakken". En je pakt ze mee in z’n kiel (stofjas) en thuus steekt ie ze ip zoldre en je blijft nog een beetje ip en amenekeer hoort ie ne wreden stamp ip de deure en je kijkt, en ’t is niemand. En ’s nuchtens je gaat die katte gaan eten geven, maar die katte is nievers (nergens) nie meer te zien. "Godver", zegt ie, "’k hè de waterduvel gezien".
Beschrijving
Een man kwam op zijn weg naar huis een grijze kat tegen. De man streelde het dier en nam het mee in zijn stofjas. Bij zijn thuiskomst zette de man de kat op de zolder. Even later hoorde de man een luide bons op de deur. Hij ging kijken, maar er was niemand. Toen hij de kat de volgende dag eten wilde geven, bleek het dier verdwenen te zijn. Daarop sprak de man: "Verdomme, ik heb de waterduivel gezien".
Bron
P. Vandewalle, Leuven, 1968
Commentaar
1.1 Watergeesten
west-vlaams (o van houtland)
172
Grootvader van de informant
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Hertsberge   
