Hoofdtekst
’t Was vroeger op Leffinge kermisse altijd een vrouwmens die rond ging met gist met een jok (juk) met twee seulen (emmers). Moeder nam ook altijd aan heur. En m’hadden wieder (wij) een kind in de wiege en m’n moeder was weg. As ze were kwam, dat kind was ziek, en zegt ze tegen vader: “Wat heeft dat kind?” en vader zegt: “’k weten ’t niet, dat wuf met gist heeft hier geweest.” En dat kind bleef ziek, en dat was van de kwaan hand van dat wuf, ze koste zij gelijk een brokke (beetje) toveren. En ze raadden ons aan van naar Nieuwpoort te gaan dienen (een beeweg doen) en me mosten kleren meedoen voor te wijden en negen dagen hebben me gelezen (we gebeden). Maar ’t was al te late, dat kind was al te verre gezet. Dat was de kwaan hand.
Onderwerp
SINSAG 0580 - Andere Hexenkünste   
Beschrijving
Een vrouw uit Leffinge had een klein kindje dat in een wieg lag. Toen de moeder op een dag even weg was geweest, stelde ze bij haar thuiskomst vast dat het kind ziek was. Van haar echtgenoot vernam de moeder dat er een vrouw met gist was komen leuren. Het kind genas niet, want het was door de kwade hand geraakt. De mensen kregen de raad om op bedevaart te gaan naar Nieuwpoort en om daar kleren te laten wijden. Hoewel de mensen negen dagen lang hadden gebeden, was het al te laat en is het kind uiteindelijk gestorven.
Bron
J. Aspeslagh, Leuven, 1958
Commentaar
2.1 Heksen
west-vlaams (kamerlingsambacht)
156
Moeder van de informant
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Leffinge   
Plaats van Handelen
Leffinge   
