Hoofdtekst
In Lethe is dat gebeurd. Dat was in den aardappeltijd en dat was dik (dikwijls) twee, drie dagen eer dat gedaan was en 's avonds zaten ze dan bijeen en ze woren nog niet binnen of dat was e lawaai rond dat gelèeg (hoeve) misschien honderd keren do rond. En dan begosten ze de rozenkrans te bidden maar dan hoorden ze het niemeer. Ze hadden het kruis nog nie gemaakt en dan was het alweer hetzelfde en dat duurde zo tot de dag dat ze brood gongen bakken, ze wierpen motsemen (mutsaarden) in den oven en ze hadden ze aangestoken en toen begos do ene te kèken (schreeuwen). Toen zat die knecht in die oven met een hondsvel om. En duw (toen) hebben ze hem noots meer gezien. En toen hoorden ze ook niets meer.
Beschrijving
Enkele mensen uit Lethe die 's avonds buiten zaten, hoorden een hels lawaai rond hun hoeve. Toen de mensen de rozenkrans begonnen te bidden, was het even stil, maar daarna hoorde men het geluid opnieuw. Een paar dagen later legde men mutsaarden in de oven en stak men het vuur aan om brood te bakken. Op dat ogenblik weerklonk er een luid geschreeuw. De knecht zat in de oven met een hondenvel om zich heen. Sinds die dag heeft men de knecht nooit meer gezien.
Bron
W. Jackers, Leuven, 1958
Commentaar
1.6 Weerwolven
limburgs (bilzen)
493
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Vlijtingen   
Plaats van Handelen
Lethe   
