Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

LOMBO172

Een sage (mondeling), woensdag 03 maart 1999

Leonardo_Diffusion_XL_a_crazy_man_behind_bars_17th_century_3.jpg

Hoofdtekst

RdB: "Ik ben helemaal vrij in het vertellen wat ik wil vertellen?"
TM [bevestigend]: "Hmhm. Ja, hij loopt nog [over het bandje]"
RdB: "O."
TM: "Ja, dus wat dat betreft: het wordt letterlijk..."
RdB: "Ja, ik zat te denken: het zou natuurlijk leuk zijn als 'ie in de wijk speelde, hè? [Korte stilte] Ja, nou, dat is wel leuk. [Op vertellerstoon:] Een hoop mensen weten dat niet, maar Lombok had vroeger een dolhuis. En dat was eigenlijk toen Lombok nog niet veel was. D'r stonden hier alleen wat boerderijen enzo. En hier vlak buiten de stad stond dus een dolhuis. Ver van de bebouwing af, zodat mensen in de stad, in het centrum geen last hadden van de gekken. En in dat Utrechtse dolhuis, daar werd een dragonder bewaard. 't Was een reusachtige kerel, met een bovenmenselijke gestalte, handen als kolenscheppen, en een bovenmenselijke kracht. Alles wat 'ie op zijn weg tegenkwam, vernietigde hij. En hij was dan ook... hij kostte het gesticht dan ook handenvol geld. Ze hadden hem een ijzeren ketting om zijn middel gegeven, en daarmee stond hij vastgeklonken aan de muur. Maar zelfs dan was er nog niets voor hem veilig. Als er iemand voor zijn hok stond, wiens gezicht hem niet beval, dan begon 'ie om zich heen te draaien, te briesen, te snuiven, bukte voorover, wrikte een steen los uit de vloer en dan... dan moest je bukken. Die dragonder, die was de attractie van het buurthuis... èh van het buurthuis? Van het dolhuis. En het dolhuis, dat was de attractie van de stad. Op zondagmiddag, dan kon je voor een stuiver naar binnen. D'r was een oude middeleeuwse stadswet die bepaalde dat burgers daar recht op hadden, en officieel waren die stuivers dan weer bedoeld om de positie van de gekken weer te verbeteren. Maar ja, d'r was natuurlijk niemand die dat controleerde. Zoals Lombok nu een attractie is, zo was het dolhuis wat hier stond dat vroeger. Tot ver in de regio trokken mensen hier naar Lombok toe om dat dolhuis te bezoeken. En een veehandelaar uit Vleuten, die had van de buren gehoord dat dat leuk was. Dus die pakte z'n paard, samen met z'n vrouw - Karel en Jansje waren dat - en die gingen naar Lombok toe, het dolhuis bezoeken. Ze stonden 's ochtends, zondagochtend als eersten voor de deur, ze betaalden hun twee stuivers. Grendels werden van de deur geschoven en ze werden binnengelaten in een lange donkere gang. Slechts verlicht door twee of drie fakkels. Het stonk er ongelooflijk, naar pis, zweet... Een beest schoot langs de muur en Jansje greep gelijk de arm van Karel beet. Maar toen hun ogen eenmaal aan het donker gewend waren, toen ontdekten ze aan de linkerkant allemaal hokken. Beestenkooien leken het wel. En nieuwsgierig deden ze een stapje dichterbij. Gelijk al, in het eerste hok was het raak. Een vrouw met lange haren, witte haren tot op haar enkels, zat voorovergebogen voor een klein krukje te bidden. Ze prevelde een gebed voor zich uit, en voor haar stond een klein krukje met een piespot erop. Plotseling sprong ze op. Ze doopte haar lange haren in die witte pispot, en begon toen met haar haren in het rond te zwaaien. En Karel en Jansje die konden nog net op tijd een stap achteruit doen. In het volgende hok liep een jongen langs het traliewerk heen en weer. Hij keek Karel en Jansje een tijdje doordringend aan, en zei toen een gedichtje op:

"Zeg, hoor je de trom?
Pas op, want ik kom.
Met mijn lans en geweer
Schiet ik iedereen neer.

Pieuw pieuw!"
Nog een hok later lag een meisje op haar rug vlak bij het traliewerk. Met haar ogen wijd open staarde ze omhoog.
En Karel die keek zo eens en die zei: 'Nou, die is dood. Dat kun je zo zien.'
En op allerlei mogelijke manieren probeerde hij met het meisje in contact te komen. Maar geen reactie.
En Jansje keek, en zei: 'Ach God. Ze lijkt op ons Geerke. Ze is ongeveer net zo oud."
Maar Karel die hoorde het al niet meer; die was verder de gang ingelopen. Die wilde waar voor zijn twee stuivers. En ineens zag 'ie de dragonder. Jansje die deed gelijk een stap achteruit, maar Karel die deed juist een stap vooruit.
En hij deed alsof 'ie een officier uit het leger was: 'Geef acht! Presenteer geweer!'
En dat maakte de dragonder woedend. Hij begon te schreeuwen, te briesen, met zijn armen om zich heen te zwaaien. Bukte voorover en greep naar een steen in de vloer. En Jansje en Karel, gewaarschuwd door de buren die al eerder waren geweest, konden nog net op tijd verder de gang invluchten. De andere hokken waren leeg. En Karel die ging één van die leegstaande kooien in, en achter het traliewerk ging hij gekke gezichten trekken. En Jansje die brulde het uit; zo had ze Karel in jaren niet meer gezien. Dus Karel deed er nog een schepje bovenop, en imiteerde alle gekken, die hij even tevoren in de verschillende kooien had zien zitten. Hij brieste, hij schreeuwde, hij stampte... En Jansje moest zo lachen dat ze bijna in haar broek plaste. Ze rende naar de portier, om buiten op de Lombokse vlakte - onbebouwd nog - even te gaan plassen. En toen ze even later terugkwam, hoorde ze Karel vloeken en tieren.
'Hé joh, klojo, laat me d'r uit! Ik ben niet gek! De deur is alleen maar in het slot gevallen!'
Een bewaker stond geamuseerd voor het traliewerk te kijken. En terwijl Jansje hem probeerde uit te leggen dat die man daar in die kooi haar echtgenoot was, die alleen maar de gekken nadeed terwijl de deur in het slot gevallen was, op hetzelfde moment deed Karel een uitval door de tralies. Hij probeerde de bewaker vast te grijpen, de man deed een stap opzij... en dat had 'ie nou beter niet kunnen doen. Ogenblikkelijk begon de bewaker Kare... Jansje in de richting van de uitgang te duwen.
Hij zei nog: 'Mevrouw, u kunt beter gaan. U maakt hem wild.'
En voor dat ze het wist, stond ze weer buiten op straat. In haar wanhoop klopte ze aan op het luikje, hield de bewaker een stuiver voor, maar er werd gezegd dat per zondagmiddag maar één bezoek aan het dolhuis was toegestaan. Ze sprak willekeurig voorbijgangers aan, vertelde haar verhaal, en uiteindelijk, tien minuten voor sluitingstijd, wilde een bakkersjongen wel op haar kosten naar binnen. En toen 'ie bij Karel voor de kooi stond, was 'ie al zoveel uren aan het gillen en aan het schreeuwen geweest, dat 'ie al net zo wild uit zijn ogen keek als alle andere dollen.
Terug in Vleuten werd er familieberaad gehouden. Wat moesten ze doen? Het verhaal aan de schout vertellen? Die zou dat natuurlijk nooit geloven. Nee, Karel moest ontzet worden. En de broer van Karel, Pieter, die zou dat klusje klaren. Hij haalde een koevoet bij de timmerman, een ijzeren staaf, en op zondagochtend vertrok 'ie naar Utrecht. En Jansje stond de hele dag in de deuropening van haar huisje te wachten. Van 's ochtends vroeg tot 's avonds laat: maandag, dinsdag, woensdag, donderdag, vrijdag, en op zaterdag. En op zondagochtend vertrok ze in haar eentje naar Utrecht. Bijna bewegingsloos betaalde ze haar stuiver aan de portier. Ze werd binnengelaten in de lange donkere gang. Ze liep langs de kooien; de vrouw met het witte haar, de jongen met het gedichtje, het meisje dat nog altijd op haar rug lag, en de dragonder. En in de volgende kooi was het stil. Twee mannen zaten geruisloos kaart te spelen.
'Pieter! Karel! Ik ben het, Jansje! 'k Heb eten meegebracht: brood, een kaas!'
Eén van de mannen stond op. 't Was Pieter. Hij pakte een speelkaart van tafel, een schoppenaas, en wankelde in de richting van het traliewerk, de kaart bezwerend voor zich uithoudend.
'Vervloekt zijt gij, vervloekt! Dat de duivel je moge komen halen!'
Hij herkende haar niet. Wat van Pieter en Karel is geworden, dat weet niemand. Maar toen een paar jaar later de dragonder dood ging, toen werd 'ie ontleed en zijn skelet werd met ijzeren banden en al opgesteld in het Ontleedkundig Museum hier in Utrecht op Het Hoofd. Het enige wat er van Karel en Pieter over is, dat zijn hun speelkaarten. In het bijzonder de schoppenaas. En die wordt hier in Lombok, hier in het museum hier vlak naast, het Volksbuurtmuseum, wordt hier die spel kaarten bewaard. En - hoe heet 'ie? - Peter Hagenaar, die heeft ze aan me laten zien vorige week en die zei erbij, dat ze zelfs van de speelkaarten niet weten of ze wel echt zijn."

Beschrijving

In Lombok stond vroeger het dolhuis, dat op zondag bezocht kon worden door toeschouwers. En echtpaar gaat gekken kijken, maar als de man gekheid makend in een hok gaat staan en de deur dichtvalt, wordt hij niet meer vrijgelaten. Hij wordt verondersteld ook gek te zijn. De vrouw kan weinig uitrichten, en de broer van de man zal een bevrijdingsactie ondernemen. Ze keren niet terug en de volgende zondag ziet de vrouw hen beiden in de kooi zitten kaarten. Ze waren nu allebei gek. De kaarten worden tegenwoordig bewaard in het volksbuurtmuseum.

Bron

n.v.t.; interview door Theo Meder en Marie van Dijk (band archief MI)

Commentaar

3 maart 1999

Naam Overig in Tekst

Karel    Karel   

Jansje    Jansje   

Peter Hagenaar    Peter Hagenaar   

Geerke    Geerke   

Ontleedkundig Museum    Ontleedkundig Museum   

Het Hoofd    Het Hoofd   

Naam Locatie in Tekst

Lombok    Lombok   

Volksbuurtmuseum    Volksbuurtmuseum   

Utrecht    Utrecht   

Vleuten    Vleuten   

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:21