Hoofdtekst
27 En ik ben altijd mee als kind naar de berg gegaan, die werkten vroeger in de berg. De berg onder de ‘Roosbùrch’, toen ben ik als kind … Maar daar waren maar zo’n [geeft hoogte aan met haar handen] gangen, hoor! Dan moest je je de halve tijd nog bukken of nee, je zat tegen de dinge op. Dan gingen wij daar eten brengen naar mijn ouders wat daar aan het werken waren en enige andere ‘läöi’. Vroeger was dat zo; je kreeg geen dopgeld of niks, hé. Dat was, van december tot maart, werkten ze in de berg. En wij gingen graag mee voor de dinge. En dan zeiden ze: "Pas op!" als je zag dat daar zo’n dinge (= nis) (was) en je had niet genoeg licht (om de nis te verlichten). "Och," zeiden ze dan, "zie eens daar, daar zit een heks in. Die zit op haar stoel, dat is voor de ‘mansläöi’ te pakken als ze hier uitkomen."Zo maakten ze je bang als je mee inging, zie je. Ik heb nooit iets van heksen gehoord, ik denk dat ze je bang maakten. Maar in de berg of zo… Daar heb ik nooit iets van, daar herinner ik me niks van.
Beschrijving
Vroeger werkten de mensen van december tot maart in de gangen van de berg onder Roosburg. Aan de kinderen vertelde men dat in die gangen heksen zaten, die de mensen wilden pakken.
Bron
H. Schoefs, Leuven, 1996
Commentaar
2.1 Heksen
limburgs (groot-riemst)
27T 421
Kindertijd van de informant
memoraat
Naam Locatie in Tekst
Zichen-Zussen-Bolder   
Plaats van Handelen
Roosburg (Zichen-Zussen-Bolder?)   
