Hoofdtekst
Onze pa die werkte aan de tramlijn van Hasselt op Neerpelt. Ene van die bij hem werkte zei hem eens dat hij ne weerwolf was en dat hij als hij ’s avonds ne weerwolf moest tegenkomen, dat hij dan zijne rooie zakdoek in zijn muil moest gooien. Als ge ne rooie zakdoek in ne weerwolf zijn muil gooide dan kon hij niets meer doen. Die had een vel en dat hing die rond hem.
Beschrijving
Een man bekende aan iemand met wie hij samenwerkte dat hij een weerwolf was. Hij waarschuwde zijn vriend: "Als je 's avonds een weerwolf tegenkomt, dan moet je een rode zakdoek naar zijn muil gooien. Dan kan de weerwolf je geen kwaad doen". Weerwolven hadden een dierenvel dat ze over zich hingen.
Bron
A. Princen, Leuven, 1965
Commentaar
1.6 Weerwolven
limburgs (tussen hasselt en beringen)
537
Vader van de informant
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Heusden   
