Hoofdtekst
En op nen zekeren dag ging Vicaatje langs de vaart lattenspletters. En ton de lattenspletters wisten dat van Vicaatjen en ze waren d’er schuw van. Z’han ne uitgang aan de vaart en enen die aan de bane uitkwam. En ze gingen altijd dwars over dat hof en altijd liep ze langs de strate. En dien eigenare zei: "Me gaan d’er nie lang werk mee hen." "Ja," zeien ze, "wa gaje d’er mee doen?" En ze zegt: "’t Zeit (zout) is gemaakt van ’t water van de zee en da water is gewijd." Zo ze smeet aan den ingang van ’t hof, aan de poorte mee zeit. En die toveresse keerdige slaggelings were. Ze liep de strate rond om langs den anderen katn op ’t hof te komen en z’han daar ook zeit gesmeten en ze keerdige ook slaggelings were en z’en heet er nooit niet meer geweest.
Beschrijving
Een toveres kwam vaak wandelen op de plaats waar de 'lattenspletters' (?) aan het werk waren. Omdat de mannen bang waren voor de heks, strooiden ze zout bij de ingang van de werkplaats. Daarna is de toveres nooit meer op die plaats komen wandelen.
Bron
O. Mattheeuws, Leuven, s.d.
Commentaar
2.1 Heksen
west-vlaams (grens oost- en zeeuws-vlaanderen)
374
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Knesselare   
