Hoofdtekst
Ja, doa was ene jong(en), da was ene weerwolef, en die had kennis met e metske (= meisje) van 't dörep hier. En he moes(t) zijn commissie gaan doen, en de jong(en) zei: 'Want (= als) zje een bees(t) tegenkomt, dan gooit zje oere moaslat (= zakdoek) op hem en dan doet er niks. Toen kwam de weerwolef haar tegen, en het was hare jong(en). Wei ze hem herkende, had er de vetse (= vezels) van de moaslat nog in zijn taan (= tanden) hangen.- Ene jong(en) kerseerde (= vrijde) met e metske (= meisje), en ze wandelden meteen 'in de Buts'. De jong(en) moes(t) zijn commissie gaan doen, en zei tegen het metske: 'gaat maar stillekes door' en he gaf h'r ene maoslat en zei: 'as zje ene hond tegenkomt gooit zje dat maar op hem, dan doet er oech (= U) niks.' En zij wandelde door. Toen kwam opeens ene grote viese hond voor haar, en ze gooide de maoslat op zijn muil, en toen koster (= kon hij) haar niks doen. Zij wandelde nog maar stillekes door, en toen op 't leste kwam hare jong(en) toch terug met haar en toen zag ze dat er de vezels van de maoslat nog tussen zijn taan (= tanden) had. Dat was ene weerwolef.
Onderwerp
SINSAG 0823 - Das zerbissene Tuch.   
Beschrijving
Een jongen die met zijn vriendin ging wandelen 'in de Buts', zei onderweg: "Ga maar verder. Ik moet even een boodschap doen." De jongen gaf zijn vriendin een zakdoek en zei: "Als je een grote hond zou tegenkomen, gooi dan deze zakdoek naar zijn muil. Dan zal de hond je niets kunnen doen". Wat verderop kwam het meisje inderdaad een hond tegen. Ze gooide de rode zakdoek naar het dier. Toen haar vriend terugkwam, zag het meisje dat hij de vezels van de zakdoek nog tussen zijn tanden had. Het meisje wilde de jongen nooit meer zien.
Bron
M. Dreezen, Leuven, 1967
Commentaar
1.6 Weerwolven
limburgs (tongeren en omstreken)
1016 (1)
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Neerrepen   
Plaats van Handelen
Buts (Neerrepen)   
