Hoofdtekst
14 G -Ja, die ander was zeker Mense, Clémence, hoe heette de die (die) met haar familienaam? Haar man was een Rasschaert.I -Dat zal toch niet die Mense Baôle geweest hebben?(Iemand had haar reeds genoemd als heks, deze vrouw woonde te Leeuwergem, maar omdat er toen soms met koopwaren geleurd werd, leek het niet onwaarschijnlijk dat een heks ook in andere dorpen gekend was)14 -Nee, nee, nee, nee, nee, nee.I -Want dat was ene van Leeuwergem hé14 -Nee, nee, want dat was hier. En dat was azo hé die gingen naar de markt en die hadden altijd snoepjes in hunne zak hé en als ze een kind zagen een snoepje geven hé en dat wierd thuis de kinders verboden :”Pakt niet hé, want ge gaat betoverd zijn!”.II -En waar woonde de die (die)?14 -Op de Langendries alletwee ja. Ik heb in de koolmijnen gewerkt een kleine twee jaar, ik was toen 17 - 18 jaar en ik kende een jongen van daar, een man, Julien Rasschaert en die ging ook ... (informant breekt zin af). De trein was hier... in Rozebeke, ginder beneden op de Langendries, op de beke hé, de Zwalmbeke,en er was ginder een statie (station) in Rozebeke en die trein was ‘s morgens 20 voor 4. Wij stonden hier te drie uren ‘s morgens op hé, maar ‘t waren thuns (toen) nog amoale (allemaal) normale uren hé. In de winter was er normaal een winterure (-uur) en in de zomer kwam ‘t er een ure (uur) bij. Die eerste ure is gekomen na de oorlog van 14 - 18 als ik zeven- achtentwintig was. En wij moesten hier boven als we bovan aan Berta waren, ginder links over de baantjes, ginder de ding af hé, we hebben nog geweest daar op een berm ‘s nachts en ze zat daar (die heks), want Julien heeft ze een keer een schup (schop, trap) gegeven hé.II -En zat ze daar ‘s nachts, ‘s zomers was dat?14 -Dat was ..., dat kon stekekoud zijn! Mee (met) azeu (zo) een zwarte frak (kapmantel) overgetrokken.I -En die heks zat daar in de kouters?14 -Ah, ze zat daar temidden van de kouters in een berm.II -En waart ge er schou van, nee?14 -Ah, bah neen want Julien (...) en gaf ze een schup (schop, trap), maar ze pinkte niet ze! Nee, nee, alleman was ‘t er schou van.II -En ze zat daar al ‘s nachts ten drie uren in de morgen in de kouter?14 -Ah, maar ze zat daar g’heel de nacht. We hebben haar nog gezien.I -En wat deed ze daar?14 -Ah, bah niets, ‘t is daarmee dat dat een slechte naam ôt (had) hé, dat was altijd ‘s nachts op de baan. Enne, ‘t stond ginder beneden nog, allez hebde (hebt ge) ding ginder geweten, ‘t is nu gedaan, de hostellerie awel, ‘t was ginder, nog verder ...II -Op de Berendries?14 -Nee, nee, op de Langendries enne ‘t stond daar een kapel, we hebben ginder dikwijls geweest de trein was ginder 20 (minuten) voor de vieren hé en ze zat zij daar op dien trap ineengetrokken hé.II -Aan die kapel?14 -Op die trappen van die kapel. En als ze kinders tegenkomen, als ze op straat liep, de kinders liepen were hé, maar ze ôn d’er schrik van hé, “w’hên (we hebben) een teuveresse (toverheks) gezien” zeiden ze. Ah ja zo alles, zo over heuren (haren) kop getrokken, zo’n kap hé, ge zag haar gezicht niet hé.II -Ôt (had) hare vent haar misschien buitengefiefeld ‘s nachts?14 -Nee, nee, nee nee, ‘t is omdat, ze ôt (had) de naam dat ze een toverheks was, jaja, daar weet ik goed af.I -En die ander heks hoe heette ...?14 -Nee, dat was Clémence, ja, hoe zou ik de die hoe heette die nu met haren familienaam, die haar man was een “Loosveldt”.I -Was dat zijn achternaam “Loofveldt”?II -Loosveldt.14 -Ah, wacht een keer, nee ‘t was haar dochter die met een “Loosveldt” getrouwd was, hoe heette de die nu, want ik weet pertang (nochtans) die namen ze!II -Komt er maar op hé, als ‘t zo lange leên (geleden) is!I -Maar anders, als ge er een keer op peinst, kunt ge het een keer opschrijven. Als ge het terug zou weten opeens.
Beschrijving
In Sint-Goriks-Oudenhove woonde een vrouw die ervan verdacht werd een heks te zijn. De kinderen mochten van die vrouw nooit snoepjes aanvaarden.
Een man schopte naar een heks die 's nachts op de trappen van een kapel zat. De heks verroerde echter geen vin. Ze zat daar gewoonlijk de hele nacht. Mensen die 's nachts op pad waren, werden er vaak van verdacht heksen te zijn.
Een man schopte naar een heks die 's nachts op de trappen van een kapel zat. De heks verroerde echter geen vin. Ze zat daar gewoonlijk de hele nacht. Mensen die 's nachts op pad waren, werden er vaak van verdacht heksen te zijn.
Bron
C. De Winne, Leuven, 1999
Commentaar
2.1 Heksen
oost-vlaams (groot-zottegem)
14G
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Sint-Goriks-Oudenhove   
Plaats van Handelen
Sint-Goriks-Oudenhove   
