Hoofdtekst
Mijn zuster had den tyfus en mijn broer kwam oeok ziek. We peizden dat ne oeok tyfus had en we giengen achter den dokteur. Je zei dat ’t geen tyfus was en dat ne er nieten koste an doen. ’s Nachts zoaten e’k ik en mijn broer er bij te woaken. Almeteens gieng de deure open. We verskoeoten geweldig. Ik vroeg an mijn broer oet ne de deure gesloten ha. Je zei dat ne er zeker van was. Er roerde buiten geen blaadje. ’t Was moanekloar. Je sloeot ze were. Achter een poar menuten vloeog de deure were open. We sproengen buiten en zoagen niemand. We zetten de wiege ton voeor de veister, mo achter een bitje vloeog de die ook open. Het kwaad was rond ons huis. ’t Wil altijd bij zijn slachtoffers zijn. ’s Anderendaags giengen we ten eerste werken dienen. Binst dat we bezig woaren met dienen, was ne stijf slecht, mo as we bijkans gedoan han, zie ’t ie tegen iemand: “’k kan al(s) skuifelen (fluiten) lijk Verskarre”. Achter een poar doagen was ie genezen.
Beschrijving
In een gezin waar de dochter tyfus had, werd één van de zonen ook ziek. Omdat men vermoedde dat de jongen ook tyfus had, liet men de dokter komen. De arts stelde echter vast dat het iets anders moest zijn, maar hij wist geen raad. Toen men 's nachts bij de jongen zat te waken, vloog de deur vanzelf open, hoewel het windstil was. De volgende dag ging de familie van de jongen 's ochtends op bedevaart. Zolang de bedevaart niet volbracht was, verbeterde de gezondheidstoestand van de jongen niet. Toen men terugkwam, kon de zieke echter al fluiten. Enkele dagen later was hij genezen.
Bron
R. Callens, Leuven, 1968
Commentaar
1.4 Luchtgeesten
west-vlaams (tielt en izegem)
183
Jeugd van de informant
memoraat
Naam Locatie in Tekst
Sint-Baafs-Vijve   
