Hoofdtekst
De vrullie die gingen ’s avonds altijd spinnen en dan hadden ze dit huis en dan dat. En dat was een vrommes en die was ergens meid en op nen avond vroeg de boer aan haar: "Waar gaat ge dezen avond spinnen?" Ze zei: "Daar ga ik." Toen zei de man: "Dat zou ik maar niet doen." Maar ze zei: "Het is besteld; ik moet gaan." Maar de boer zei: "Dat moet ge maar niet doen." "Ik heb van niets schrik", zei zij. Maar hij zei: "Als ge dan toch gaat en daar moest onderweg iets op u afkomen, dan gooit ge het maar mijn rooi maalslap." Toen de meid weg was, kwam daar ne grote zwarte hond op haar af en zij gooide met die rooi maalslap. ’s Anderendaags vroeg die boer: "Hebt ge gisteren niets gezien?" - "Ja, zei de meid, ik heb ne weerwolf gezien." Toen zei de boer: "Dat weet ik, dat was ik." En hij trok de rooi draden van zijn maalslap tussen zijn tanden uit en hij zei: "Als ge mij durft verraden dan blijft ge eraan." Ze heeft dat nooit of vanzeleven niet durven vertellen.
Onderwerp
SINSAG 0823 - Das zerbissene Tuch.   
Beschrijving
Een boer had een meid die elke avond ergens ging spinnen om wat bij te verdienen. Op een dag waarschuwde de boer zijn meid met de woorden: "Als ik jou was, dan zou ik vanavond niet op die plaats gaan spinnen. Indien je toch zou gaan, dan moet je een rode zakdoek meenemen. Wanneer er dan een hond op je af komt, moet je de zakdoek naar het beest gooien". Die avond kwam de meid inderdaad een grote zwarte hond tegen. De volgende dag vroeg de boer haar of ze niets had gezien, waarop de meid antwoordde: "Jawel, ik heb een weerwolf gezien, en ik heb de rode zakdoek naar het beest gegooid". Daarop sprak de boer: "Ja, die weerwolf was ik", en hij trok de rode draden uit zijn tanden met de woorden: "Als je mij durft te verraden, dan ga je eraan". Nooit heeft de meid aan iemand verteld wat ze had meegemaakt.
Bron
A. Princen, Leuven, 1965
Commentaar
1.6 Weerwolven
limburgs (tussen hasselt en beringen)
534
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Houthalen   
