Hoofdtekst
Een arme bedelaar die op een zwoele zomeravond te Maaseik aankwam legde zich te rusten op de markt onder een dikke eikenboom. Zijn lichaam zat vol ongedierte. ’s Morgens toen hij wakker werd kon hij het niet meer uithouden van de jeuk en smeet hij zijn "wejmeske" op de markt waarna hij zijn weg voortzette. Voorbijgangers zagen het "wejmeske" voortkruipen over de markt, dachten dat het behekst was en verwittigden de deken van het kapittel. Deze kwam met de "suisse", de misdienaars en een emmer wijwater om de beheksing te bezweren. Doch ondanks het wijwater bleef het "wejmeske" vrolijk doormarcheren. Eindelijk doorzag de suisse de situatie en met zijn hellebaard hief hij het "wejmeske" van de grond op. Grote klodders vlooien en luizen vielen op de grond. Beschaamd trok de geestelijkheid zich terug.
Beschrijving
Een arme bedelaar kwam op een zomeravond aan in Maaseik. Vol luizen en vlooien viel de man in slaap onder een eik. 's Ochtends gooide de bedelaar zijn mes, dat vol ongedierte hing, op de markt en trok verder. Voorbijgangers die het mes zagen voortkruipen, dachten dat het behekst was en verwittigden de deken. Samen met de suisse en zijn misdienaars begaf de deken zich met een emmer wijwater naar de markt. Ondanks het wijwater bleef het mesje echter voortkruipen. Toen de suisse eindelijk de situatie doorzag, hief hij met zijn hellebaard het mesje op. Talloze luizen en vlooien vielen op de grond. Vol schaamte gingen de geestelijken weg.
Bron
J. Venken, Leuven, 1968
Commentaar
4. Historische sagen
limburgs (maasvallei)
546
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Maaseik   
Plaats van Handelen
Maaseik   
