Hoofdtekst
Bij mijn moeders broere hadden ze een meissen (meid) en dat was ook zo’n toveresse. En z’hadden daar een kinnetje (kindje) en ze pakte zij dat op en dat kinnetje z’n hoofd stond in ene keer gedraaid dat z’n aanzichte van achter stond. Dat was ene van Snaaskerke, dat meissen. En ’t waren oude mensen die zeien dat ze ze mosten wegzenden want dat ze anders nog vele rooi (last) gingen hebben. En dat heeft dan gestopt as ze daar weg was.
Onderwerp
SINSAG 0580 - Andere Hexenkünste   
Beschrijving
Bij een gezin werkte een meid uit Snaaskerke die kon toveren. Op een dag had de meid het hoofd van het kindje van die mensen achterstevoren getoverd. Nadat men de meid had ontslagen, gebeurde er niets vreemds meer bij die mensen.
Bron
J. Aspeslagh, Leuven, 1958
Commentaar
2.1 Heksen
west-vlaams (kamerlingsambacht)
164
Oom van de informant
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Snaaskerke   
Plaats van Handelen
Snaaskerke   
