Hoofdtekst
G: En die vrouw die ge eerste zei, die Metje…D: Metje Hagen, jaG: Zat daar ook een verhaal achter?D: Metje Hagen is afkomstig van Millen. Die is dan overal moeten gaan vluchten. Die heeft in Maastricht gewoond, die heeft in het Luikse gewoond en zo werd die eigenlijk een beetje gezocht omdat ze een heks was. En eerst is ze in Millen moeten gaan vluchten en dan is ze naar…ja als je op een bepaald ogenblik, ik zeg maar wat, als je hier in Lauw beticht werd van hekserij en ge vlucht dan naar een ander arrondissement, dan konden ze u niet pakken he. Daar had de bisschop geen gezag. Dan moest je dus naar de vier scharen van ‘Breben’, die moesten dan over u beslissen wat…Ok, die had dus een paar keer moeten vluchten en op een bepaald ogenblik was ze dan hier (in de nieuwe dorpen) ook beticht van hekserij, of was ze een heks. En er was ook zo van alles gebeurd, maar wat precies weet ik zo niet meer. Maar waren er dan, er waren er vijf of zes jongens die rond het haardvuur moesten gaan bidden, want dat hadden ze ook van de dinges gekregen, van de pastoor, die wist daar alles van. Ze moesten allemaal een eiken stok in hun handen houden en de wacht houden bij de open haard en ze moesten dan op dat ogenblik een gebed opzeggen en op een bepaald ogenblik zou dus het gelaat van Metje Hagen in het haardvuur verschenen zijn. Want haar zoon, die was daar ook bij, bij die jongelingen die daar moesten gaan bidden. En dan heeft die zo gezegd van: ‘Ma, ben jij dat?’ en op dat ogenblik verdween dat beeld van Metje Hagen. En de volgende dag is die zoon in schande vertrokken. Hij heeft dus het dorp verlaten. Metje Hagen die heeft ook [onverstaanbaar], die is ook verbrand in Tongeren en dat op een bepaald ogenblik, maar hoe zat het in mekaar? Ja, er is er één die haar aangegeven heeft. Een ‘Pils’. Die was eigenlijk de aanstoker ervan, die had dat altijd gezegd. En haar zoon, die heeft ruzie gekregen op een bepaald ogenblik op de kermis [moeilijk te verstaan, iets in de aard van Liseur]. G: Waar?D: Liseur en daar heeft hij dus die [Onverstaanbaar, iets in de aard van Jan Petuurs.] vermoord en toen hebben de mensen gezegd: ‘Het is een onrecht wat zijn moeder is aangedaan, wat hij eigenlijk gewroken heeft. Het was die Jan Petuurs [Deze naam is uiterst moeilijk te verstaan, maar het is iets in die aard.] wat eigenlijk de aanstoker was voor te zeggen dat een heks in Metje Hagen haar gelaat zou dus in die vuurgloed zijn verschenen. (Jan Petuurs was eigenlijk de aanstoker om te zeggen dat het gelaat van Metje in de vuurgloed zou verschenen zijn). [stilte]
Beschrijving
Een vrouw uit Millen moest van het ene dorp naar het andere vluchten, omdat ze overal werd beschuldigd van hekserij. Vijf of zes jongens moesten van de pastoor met een eiken stok rond het haardvuur gaan zitten en een gebed opzeggen. Terwijl ze dat deden, zouden ze het gezicht van de heks in de vlammen zien verschijnen. Eén van de jongens beweerde het gezicht van de vrouw uit Millen in het vuur te hebben gezien. Daarna werd de heks verbrand in Tongeren.
Bron
G. Verdickt, Leuven, 2002
Commentaar
2.1 Heksen
limburgs (zuiden)
L19
fabulaat
Naam Overig in Tekst
Metje van Millen   
Metje van Millen   
Naam Locatie in Tekst
Lauw   
Plaats van Handelen
Millen   
